Nominatie

verblijf
Yasmin Namavar

Vanaf de eerste regels van haar debuut verblijf laat Yasmin Namavar een eigen en rijpe stem horen. Namavars poëzie is tegelijk gelaagd en lichamelijk, doordacht en dierlijk doorbloed, muzikaal en erotisch. De dichter onderzoekt hoe gevoelens van thuiszijn en van thuisloosheid ons lichaam en onze omgeving beïnvloeden. In haar gedichten probeert de ik zich te verhouden tot het verleden, tot familie, tot het landschap met haar bomen, planten en dieren: ‘onder mijn woordloze huid ligt iets ouds te slapen, wolharig/ongelooflijk sterk/koud en nat van de reis.’ Namavars taal is zintuiglijk, maar ook gedisciplineerd: je voelt als lezer het werk, de tijd en de liefde die in deze bundel zijn gegoten. Het resultaat is een ogenschijnlijk moeiteloos verworven, tegelijk weelderige en sensuele lyriek. In alle opzichten weerklinkt een matuur dichterschap en een rijke zoektocht naar identiteit. De ik-figuur staat met één voet in Nederland en met de andere in Perzië. Die dubbele identiteit zit in de hele bundel verweven in een mengeling van intense, lyrische metaforen en meer verhalende verzen. verblijf is een bundel over oorsprong en afscheid, vruchtbaarheid en verlies, liefde en verlangen. Namavar schrijft wars van clichés, in prachtige beelden, slim en geestig, sensueel en uitdagend.

Tekstielen
Sarah de Koning

Tekstielen klinkt als een klok, maar verraadt niet waar de klepel hangt. Aan de ene kant is er sprake van een verslavende, soepele stroom van woorden die de lezer moeiteloos meevoert. Anderzijds schuwt Sarah de Koning het in haar debuut niet om te spelen met syntax en semantiek, om zowel te ontregelen als te fascineren. Continu worden diepste verlangens en onoverbrugbare afstanden tastbaar gemaakt, maar de meerduidige en klankrijke regels blijven een verleidelijke ongrijpbaarheid houden die de lezer doet terugkomen voor meer: ‘Wat boeit zo’n heuphoge blos als een/uitslaande brand het dier, draagt mijn engel niet een vlammend/wiel, een dunne vleugel, en gevangen een vis een mes in zijn hand.’ Tekstielen is een technisch indrukwekkend en bijzonder melodieus debuut, maar daarnaast is het ook dapper. Intellect, kracht en immense kwetsbaarheid komen samen op deze pagina’s en drukken een waarachtige, rijke vrouwelijkheid uit. Bovendien durft de dichter de taal zelf aan te pakken, als materiaal én onderwerp, als middel én als probleem. De worsteling met de liefde is immers ook een worsteling met de taal, ‘het voortdurend/verplaatsen van geknielde woorden, gekneusd en beurs.’ Die fascinerende vermenging van taal en hartstocht komt sterk uit de verf in deze meerstemmige en opwindende poëzie.

Het netwerk moet gebouwd worden
Maxime Garcia Diaz

Het netwerk moet gebouwd worden is een gedurfde, ideeënrijke en meeslepende bundel over identiteitsvorming, verbondenheid en rouw in een gedigitaliseerde en veramerikaniseerde wereld. Op een spannend mysterieuze manier vertelt de intens samenhangende bundel een verhaal over periodes in het leven van de dichter. Daarin belicht Garcia Diaz de typische nostalgie en existentiële vervreemding, maar ook de ambitieuze en idealistische scheppingsdrang van haar generatie. Het werk experimenteert met tekststructuren, vormen van multimodaliteit, beelden en affecten uit het digitale bestaan. Zo gaat ze in de gedichten aan de slag met hypertekstualiteit, gemengde mediacollages, verpersoonlijkingen van computersystemen en ervaringen van een emotionele gehechtheid aan online spelwerelden: ‘Ik wil dat de deepfake naast me zit in de metro/en me naar de mond van de hel draagt//of naar huis/wat het dichtstbij is//(en ik wil alle lichten aan).’ Dergelijke vormen van experiment verkennen hoe de digitale wereld onze omgang met taal beïnvloedt en daarbij nieuwe poëtische uitdrukkingsmogelijkheden creëert. De Nederlandse literatuur telt meerdere vernieuwende stemmen die zich door de elektronische werkelijkheid laten inspireren, maar Garcia Diaz blinkt enerzijds uit in de overtuigingskracht waarmee zij technische en historische aspecten van informatietechnologie met herkenbare herinneringen verbindt, en anderzijds in de zeldzame trefzekerheid waarmee zij de denkpatronen en discoursen van computergebruikers weet te suggereren. Beide kwaliteiten vloeien voort uit een diep persoonlijke relatie met het virtuele.

Addertje
Jolanda Kooijmans

Addertje van Jolanda Kooijmans is een epische dichtbundel over de duivel in nieuwe en onverwachte gedaantes, datgene wat ons kwaad doet, tegenwerkt en soms zelfs wil vernietigen. Het is een duistere fabel voor volwassenen in een elliptische keten van gedichten, samengehouden door de epiek (er was eens…). De gedichten ontlenen hun intensiteit aan een verrassende en originele lyriek: ‘de nacht is op komst/de maan spitst zijn oor//het leven springt van vorm/naar vorm//het pakt zich samen,/valt uiteen/en pakt zich weer samen.’ Op een toegankelijke manier verwijzen ze naar andere schrijvers, verhalen en mythologieën, zowel klassieke als populaire, al hoef je als lezer zeker niet alle referenties te kennen om van deze poëzie te genieten. Daarvoor zijn de beelden op zichzelf sterk genoeg. Addertje wordt geboren met enorme honger: ‘een lege maag komt ter wereld/met Addertje eromheen.’ Kooijmans weet haar poëtische middelen economisch te gebruiken om een krachtig effect te sorteren. Addertje speelt zich tegelijkertijd in Nederland als in een tijdloze, dierlijke oerwereld af. Tijdens het lezen voel je aan hoe mythologieën werken. De dichter duikt onder water en brengt het oerwezen naar boven. Zo ontstaat er een heel beladen dichtbundel, zwanger van betekenis, gedurfd en toch vanzelfsprekend, geschreven in een archaïsche toon en toch voor en over nu. Addertje is compromisloos, kinderlijk, speels, soms grappig maar zonder de verdrietige en pijnlijke scenario’s uit de weg te gaan.

Nachtatlas
Peter Verhelst

Met het fosforescerende Nachtatlas heeft Peter Verhelst een van zijn beste bundels geschreven – en dat wil wat zeggen met zijn indrukwekkend palmares. Zoals vaker in zijn poëzie wil hij ook in deze bundel iets in kaart brengen dat eigenlijk onzichtbaar en onvatbaar is: de nacht, de stilte, het afscheid, de dood, misschien zelfs de apocalyps. Verhelst laat zijn bundel voorafgaan door een aan de filmregisseur Agnès Varda ontleend citaat: ‘Si on ouvrait les gens, on trouverait des paysages.’ Ook een omschrijving voor de poëzie van Verhelst: het voortdurend opnieuw openleggen van innerlijke landschappen. Hij doet dat door zijn visionaire, mythologische en (post)apocalyptische werelden in concrete, zintuiglijke beelden te vertalen. Door zijn nauwgezette pen en zorgvuldig uitgewerkte metaforen lijken de wazige droomwerelden vol visioenen een ogenblik scherp op je netvlies te worden geprojecteerd. Verhelst probeert de dood als onderdeel van het leven te zien, als datgene dat levenslust geeft: ‘Op het eiland zijn we op zoek gegaan naar het centrum,/de uitpuilende navel, om er de bron te vinden/van ons verlangen, dus van onze angst, dus van onze dood,/om ons daaraan te laven.’ Daardoor leest zijn bundel als een grote ‘Ja!’ tegen het leven. Hoewel, op het einde richt hij zich direct tot de dood, op zo’n manier dat hij de dubbelheid ervan weet op te roepen: berustend en dankbaar, verwelkomend en tegelijkertijd vol verzet.

kamers
Sandrine Verstraete

Sandrine Verstraete kan met haar bundel kamers elk soort lezer voor zich winnen: rationeel of affectief, geduldig of gulzig. Haar taal is even analytisch als sensitief, even bedachtzaam als wild, even op zichzelf gericht als naar buiten. kamers is zorgvuldig gecomponeerd met betekenisvolle motieven, structuurbevorderende afdelingen en een vernuftige verweving van begin en eind, maar elke pagina bevat ook iets ruigs. Daar dwalen immers ‘roedels wild/gelispel’ en bijten haar frasen ‘als een inhalig jong’. Verstraetes aandacht voor architectuur en de taal geeft de bundel iets zeer concreets en materieels. Tegelijkertijd heeft kamers ook iets van een bezwerende koortsdroom door de prikkelende, soms absurde beelden en meeslepende ritme en klank. De lezer kan zich te midden van nimfen bevinden, tussen de muren van een eigenaardig ontworpen huis of diep in de buik van een walvis. De personages in kamers hebben iets oneindigs, onder het huidige schuilt altijd het verleden: ‘ruïne op ruïne, gestapelde structuren.’ Met haar taal bouwt Verstraete identiteiten die even gelaagd zijn als haar imposante poëzie zelf. In kamers echoën een complexe polyfonie, een veelheid (‘deze kamer is alle kamers’) en een veelduidigheid die in een tijd als de onze levensnoodzakelijk zijn.

In 2025 heeft de prijs betrekking op de bundels die tussen 1 januari en 31 december 2025 zijn verschenen. Eén van de genomineerde bundels moet een debuut zijn.